Een zakelijk rentepercentage bij familielening
Bij het aangaan van een geldlening tussen ouders en kinderen is het altijd de vraag wat nu een juist rentepercentage is. Wat is niet te hoog en wat is niet te laag. In fiscale zin heet dit dat de rente zakelijk moet zijn. Of een rente zakelijk is hangt samen met alle relevante omstandigheden van een concrete situatie. De aanwezigheid van zekerheden in een overeenkomst van geldlening is een zodanige omstandigheid. Maar ook andere omstandigheden kunnen dat zijn zoals bijvoorbeeld de bepalingen in een tegelijkertijd met de geldlening gesloten maatschapsovereenkomst. In een casus over een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf ging er een dikke streep door een rente van 9% en bleef er een rente van 4,5% over.
Bedrijfswoning
Een man woont met zijn ouders en zijn zussen in een op het bedrijfserf gelegen agrarische bedrijfswoning. Gezamenlijk exploiteren zijn in maatschap een agrarisch bedrijf. Op enig moment koopt de man de ouderlijke woning van zijn ouders voor € 315.000,–. Deze koopsom financiert hij met een lening van zijn ouders en wordt dus een schuld. Er is geen aflossingsverplichting. Over deze schuld wordt een rente gerekend van 9%. De belastinginspecteur corrigeert bij het opleggen van de aanslag de rente en legt ook een vergrijpboete op. Een procedure is het gevolg. Eerst bij de rechtbank en in hoger beroep bij het gerechtshof.
Pleitbaar
Volgens de man moest worden beoordeeld of niet-verbonden partijen onder gelijke omstandigheden voor de financiering van de woning, met overigens dezelfde voorwaarden (een agrarische bedrijfswoning, een looptijd 10 jaar, een beperkte financieringsmogelijkheid van 102%, aflossingsvrij, geen inbreng van eigen middelen en geen vestiging van hypotheekrecht), een vergelijkbare rente zouden hebben verlangd. Omdat dit volgens hem niet via een bancaire financiering ging moet worden gekeken naar het rentepercentage dat alternatieve (niet-bancaire) geldverstrekkers zouden hebben bedongen.
Onzakelijk
De belastingrechter oordeelt echter dat door de man niet aannemelijk is gemaakt dat een rente van 9% zakelijk is. Hij bewijst ook niet dat een vergelijkbare financiering tegen deze voorwaarden gebruikelijk is. De belastingrechter nam in zijn overwegingen ook mee dat de ouders wel degelijk zekerheden hadden. Weliswaar dan niet via de overeenkomst van geldlening maar wel feitelijke zekerheden via afspraken in de maatschap en via hun familieband, waardoor hun risico beperkt is. En zeker niet vergelijkbaar is met een onafhankelijke derde zonder zekerheden.
Bedingen maatschap
Deze overeenkomst van maatschap is op dezelfde datum (schriftelijk) overeengekomen als de leningsovereenkomst. En in deze maatschapsovereenkomst is onder meer bepaald dat belanghebbende de woning (die hij nog zal verkrijgen) zal inbrengen in de maatschap. Verder is bepaald dat voor een onttrekking van onroerende zaken aan de maatschap, de toestemming van iedere vennoot nodig is. Ook dienen de ouders toestemming te geven voor elke rechtshandeling met betrekking tot de onroerende zaken (vervreemden, vestigen zakelijk recht, huren en verhuren). Verder is geregeld dat de vennoten niet zonder toestemming van de anderen zich borg mogen stellen en is het een vennoot verboden uitsluitend ten eigen behoeve over goederen van de maatschap te beschikken. Voorts hadden de ouders een terugkooprecht.
Daarnaast acht de inspecteur het onwaarschijnlijk dat de man de ouderlijke woning, waar hij met de ouders en de zussen zowel vóór als na overdracht in 2015 woonde, zonder overleg zou vervreemden of bezwaren. Ook had de man nog een fulltimebaan naast de maatschap en was er dus sprake van twee inkomstenbronnen waardoor een schuldeiser minder risico loopt. En tot slot had hij ook geen schulden. Deze, voor een maatschapsovereenkomst dus heel gebruikelijke bepalingen, maakten dus dat de ouders toch voldoende zekerheden hadden voor hun geldlening. Ook al was dit niet uitdrukkelijk in de geldleningsovereenkomst neergelegd.
Een zekerheid kan dus meerdere bronnen hebben. Dat maakt de situatie niet vergelijkbaar met een onafhankelijke derde zonder enkele vorm van zekerheid. Ook de belastingrechter zette daarom een streep door de 9% en de rente werd vastgesteld op 4,5%.
mr. Erik Marcus RB-Remie Fiscaal Juridisch Adviesbureau – Uden

