Uitleg regels bij vruchtwisseling en de landbouwvrijstelling
In het januarinummer van Melkveebedrijf werden de nieuwe – strengere – regels besproken over de toepassing van de landbouwvrijstelling bij vruchtwisseling of het anderszins tijdelijk uit gebruik geven van landbouwgrond aan een andere agrarische ondernemer. Wanneer niet aan de strikte voorwaarden wordt voldaan, is de landbouwvrijstelling niet van toepassing op de waardestijging van de grond in die periode. Deze aanscherping van het beleid heeft tot Kamervragen geleid waarop vervolgens op 9 maart 2026 door de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur een gezamenlijk antwoord is gegeven. Deze antwoorden laten zien dat de beleidsmakers en de praktijk soms mijlenver uit elkaar staan.
Vruchtwisseling
Wanneer er sprake is van vruchtwisseling wordt de eigen grond tijdelijk niet binnen het eigen melkveebedrijf gebruikt. Zuiver gezien is de landbouwvrijstelling dus niet van toepassing op de waardestijging van de grond in die periode. Op basis van een uitspraak van de belastingrechter van lang geleden (1968) en vervolgens een werkafspraak uit 2014 bleef de landbouwvrijstelling van toepassing als het uit gebruik geven van grond in het belang is van het bedrijf als onderdeel van het schema van vruchtwisseling. De grond mag in dit kader voor niet meer dan een jaar uit gebruik worden gegeven of verpacht en vervolgens moet het weer in eigen gebruik worden genomen. Overigens gold deze verruiming niet bij uit gebruik geven van grond in het kader van derogatie. In het besluit van 5 november 2025 is de werkafspraak uit 2014 opgezegd. Er moet nu worden voldaan aan vijf strikte voorwaarden. En de vruchtwisseling moet schriftelijk worden vastgelegd in een overeenkomst.
Beleidmakers
Waar de praktijk de nieuwe voorwaarden als een beperking en verzwaring ervaart, zien de beide bewindslieden dat helemaal niet zo. Het nieuwe besluit is volgens hen een actualisering van het eerdere besluit uit 2018 en legt vast de werkafspraak die de Belastingdienst in 2014 met LTO Nederland heeft gemaakt. Het besluit zou daardoor niet wezenlijk afwijken van de uitgangspunten die al jarenlang gelden. Zij zien zelfs een verruiming op een aantal punten, bijvoorbeeld als de gebruikelijke teeltduur bij de gebruiker langer is dan het in beginsel geldende maximum van één jaar. Een belangrijk uitgangspunt is daarbij dat de termijn van terbeschikkingstelling niet langer mag zijn dan strikt noodzakelijk is voor de teelt van het gewas in de eigen landbouwonderneming van de grondeigenaar.
Rustgewas
Wanneer de eigenaar van de grond een niet-uitputtend gewas of rustgewas zelf in zijn vruchtwisseling heeft opgenomen, is er volgens het besluit niet langer de noodzaak om de grond ter beschikking te stellen ten behoeve van de bodemgesteldheid en de kwaliteit van de grond. Wordt de grond vervolgens toch aan een derde ter beschikking gesteld dan is de landbouwvrijstelling niet van toepassing in die periode.
Bewijs
Het is aan de eigenaar van de grond die deze ter beschikking stelt, om aannemelijk te maken dat het noodzakelijk is om de grond ter beschikking te stellen. Dit bewijs is vormvrij. Dit kan bijvoorbeeld door middel van vakstudies met betrekking tot de termijn van de terbeschikkingstelling die noodzakelijk is voor de teelt in de eigen landbouwonderneming of door het overleggen van een bouwplan mits daaruit duidelijk blijkt dat sprake is van noodzakelijke vruchtwisseling.
Praktijk
Het effect van het nieuwe besluit en de publicaties van onder andere de Kamervragen is dat de belastinginspecteurs extra aandacht gaan hebben voor dit onderwerp. Bij een beroep op de landbouwvrijstelling zal vaker dan voorheen de vraag worden gesteld aan te tonen dat de grond altijd in eigen gebruik ten behoeve van het melkveebedrijf is geweest, hetgeen veelal blijkt uit de gegevens van RVO. En wanneer er sprake is geweest van een tijdelijk uit gebruik geven moet de eigenaar aantonen dat aan de voorwaarden van de vruchtwisseling is voldaan. Daar zal – veelal de adviseur – weer uren voor moeten maken die weer betaald moeten worden. Maar al met al zien de bewindslieden toch geen lastenverzwaring voor de melkveehouders.
mr. Erik Marcus RB- Remie Fiscaal Juridisch Adviesbureau – Uden
e.marcus@remie.nl

