Uw zaken van alle kanten bekeken.
Fiscaal, juridisch én bedrijfseconomisch.
pelsdierenhouderij
Pelsdierenhouderij

Wet verbod pelsdierhouderij van invloed op WOZ-waarde?

De rechtbank Oost-Brabant heeft begin dit jaar geoordeeld dat op waardepeildatum 1 januari 2013 (belastingjaar 2014) de toen nog niet in werking getreden Wet verbod pelsdierenhouderij van invloed is op de waarde van de onroerende zaken van een pelsdierenhouderij. Maar bij de waarde vaststelling in het kader van de WOZ dient echter ook rekening gehouden te worden  met de uitfaseringsperiode.

Wet verbod pelsdierhouderij

Op 15 januari 2013 is de Wet verbod pelsdierhouderij in werking getreden. Deze wet kent een zogenaamde uitfaseringsperiode tot 1 januari 2024 voor bestaande pelsdierenhouders. Gedurende deze periode mogen (bestaande) pelsdierenhouders onder specifieke voorwaarden hun bedrijf voortzetten. Pelsdierenhouderijen die na 15 januari 2013 verkocht worden, kunnen in principe vanwege het verbod niet langer als pelsdierenhouderij in gebruik blijven. Voor deze gebouwen zal dan ook een andere bestemming gezocht moeten worden.

 

De rechtbank Den Haag heeft de Wet verbod Pelsdierhouderij echter op 21 mei 2014 buiten werking gesteld, omdat de Staat de schade van de pelsdierenhouders niet adequaat compenseert.

Rechtbank Oost-Brabant, de casus

Een pelsdierenhouder stelde dat de onroerende zaken van zijn pelsdierenhouderij door de Wet verbod pelsdierhouderij  op waardepeildatum 1 januari 2013 minder waard was geworden en bestreed de door de  gemeente vastgestelde WOZ-waarde. Bij de vaststelling van de WOZ-waarde had de gemeente zich gebaseerd op een taxatie die is bepaald aan de hand van de “Landelijke Taxatiewijzer kengetallen Agrarische gebouwen” en de “Taxatiewijzer Grond bij agrarische gebouwen”. Hierbij werd 1 januari 2013 als waardepeildatum gehanteerd. Ter verdere onderbouwing had de gemeente gewezen op een transactie van een pelsdierenhouderij die op 2 april 2012 had plaatsgevonden.

De pelsdierenhouder stelde dat zijn pelsdierenhouderij door de inwerkingtreding van de Wet verbod pelsdierhouderij niet in volle omvang en onbezwaard in eigendom overgedragen kon worden. Een verkrijger zal volgens hem de pelsdierenhouderij niet in volle omvang in gebruik kunnen nemen.

De rechtbank heeft aangegeven dat de voornoemde landelijke taxatiewijzers op de uitgangspunten van de Wet WOZ gebaseerde taxatie-instrumenten zijn, met behulp waarvan de waarde in het economische verkeer voor agrarische (deel)objecten kan worden bepaald. Maar deze landelijke taxatiewijzers houden geen rekening met specifieke kenmerken van individuele onroerende zaken.

De rechtbank oordeelt vervolgens dat het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 mei 2014 niet van invloed is, omdat het vonnis op de waardepeildatum nog niet was gewezen. Op 1 januari 2013 (waardepeildatum) was daarentegen wel duidelijk dat er een verbod in het verschiet lag en de rechtbank acht het derhalve aannemelijk dat een potentiële koper daarmee rekening zou houden. De rechtbank oordeelt wel dat de waarde van de pelsdierenhouderij op de waardepeildatum niet slechts wordt bepaald door de alternatieve gebruiksmogelijkheden, omdat een koper op 1 januari 2013 ook nog aanspraak kon maken op de uitfaseringsperiode. De WOZ-waarde was daarom in dit geval ook niet te hoog vastgesteld.

Bron: ECLI:NL:RBOBR:2015:157

Link:   http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2015:157