Uw zaken van alle kanten bekeken.
Fiscaal, juridisch én bedrijfseconomisch.
pelsdierenhouderij
Pelsdierenhouderij

Verbod op houden van nertsen toch rechtsgeldig

Het gerechtshof Den Haag heeft op 10 november 2015 uitspraak gedaan in de hoger beroepsprocedure die de Staat heeft ingesteld tegen  de  rechtbankuitspraak waarbij de Wet verbod Pelsdierhouderij buiten werking werd gesteld. Het gerechtshof heeft bepaald dat de Wet verbod pelsdierhouderij, die het houden en doden van nertsen (op termijn) verbiedt, toch rechtsgeldig is en heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd.

Voorgeschiedenis afschaffing pelsdierenhouderij
Het voorstel om de pelsdierenhouderij af te schaffen kent een lange voorgeschiedenis. Bij de totstandkoming van de Gezondheids- en welzijnswet voor Dieren in 1992 werd de bontproductie al kritisch tegen het licht gehouden. Vervolgens aanvaardde de Tweede Kamer op 1 juli 1999 een motie waarin het einde van de pelsdierenhouderij werd voorgesteld (Kamerstukken II 1998/99, 26 200 XIV, nr. 63). De twijfels en principiële overwegingen in de politiek over de ethiek van het (bedrijfsmatig) houden en doden van pelsdieren hebben uiteindelijk geleid tot het wetsvoorstel van SP-kamerlid Van Gerven, welk voorstel na enige aanpassingen inhoudelijk een verbod op de pelsdierenhouderij inhoudt met een overgangstermijn van tien jaar. De Eerste Kamer heeft op 18 december 2012 ingestemd met dit wetsvoorstel Wet verbod pelsdierhouderij. De Wet verbod pelsdierhouderij (hierna ook: de Wet) is vervolgens op 15 januari 2013 in werking getreden. De rechtbank Den Haag heeft de Wet bij vonnissen van 21 mei en 18 juni 2014 buiten werking gesteld. De rechter oordeelde  dat bij invoering van de Wet verbod pelsdierhouderij sprake is van regulering van eigendom in de zin van artikel 1 Eerste protocol van het EVRM en dat er geen sprake is van ‘fair balance’. Tegen het verbod op het houden van pelsdieren en de overgangsregeling tot 2024 staan, volgens de rechtbank, immers geen (adequate) vergoedingen.

De Staat heeft hiertegen hoger beroep ingesteld, waarbij het hof op 10 november 2015 de Wet wel rechtsgeldig heeft verklaard.

Arrest gerechtshof
De Staat voerde, kort gezegd, onder meer aan dat in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank eerder oordeelde, wel voldaan was aan het vereiste van een fair balance tussen de belangen van de pelsdierenhouders en het algemeen belang. Volgens de Staat omvat het begrip “eigendom” volgens artikel 1 EP niet de toekomstige inkomsten van de pelsdierenhouders. Het hof stelt de Staat daarin in het gelijk. In het kader van het beroep van de NFE c.s. op artikel 1 EP kan volgens het hof slechts rekening worden gehouden met het eigendom van de pelsdierenhouders voor zover die bestaat uit grond, bedrijfsgebouwen, inventaris (zoals kooien), voorraden pelzen en nertsen. Bij het beoordelen of sprake is van een fair balance dient volgens het hof geen rekening te worden gehouden met het verlies aan toekomstige inkomsten.

Daarnaast is het hof van mening dat de rechtbank onterecht de overgangsperiode in het geheel niet heeft willen beschouwen als een (schadeverminderende) factor die in aanmerking moet worden genomen bij de vraag of een fair balance is getroffen tussen het algemeen belang en de aantasting van de bestaande eigendom van de pelsdierenhouders. Het hof acht het wel aannemelijk dat de pelsdierenhouders vanaf een aantal jaren voor het einde van de overgangstermijn geen investeringen (bijv. in innovatie) meer zullen willen doen en dat zij op een zeker moment te maken zullen krijgen met hogere loonkosten of vertrekkend personeel en dat daardoor  de resultaten onder druk zullen komen te staan. Het hof gelooft echter wel dat de pelsdierenhouders gedurende de overgangsperiode, althans gedurende een groot gedeelte daarvan, mede met het oog op de aangevoerde rapportages over de winstcijfers, winstgevend zullen kunnen blijven opereren.

Voorts is het hof van mening dat de rechtbank ten onrechte de flankerende maatregelen (zoals de sloopregeling, de verruimde herinvesteringsreserve en de hardheidsclausule pensioenvoorziening) buiten beschouwing heeft gelaten bij de beoordeling of er sprake is van een fair balance. Het hof hecht in tegenstelling tot de rechtbank wel waarde aan deze flankerende maatregelen.

Voor het bepalen of sprake is van een fair balance is volgens het hof ook van belang dat alle omstandigheden in aanmerking worden genomen, waaronder ook de voorgeschiedenis van de Wet. Volgens het hof konden de pelsdierenhouders al vanaf 1999 er rekening mee houden dat het houden van nertsen zou worden verboden. Het hof overweegt dat, gezien de lange termijn die de pelsdierenhouders zullen hebben om zich op de verwachte ontwikkelingen in te stellen en gezien ook de winstgevendheid van hun ondernemingen, men ervan uit kan gaan dat de pelsdierenhouders hadden kunnen uitbreiden of omschakelen naar andere sectoren indien zij dit hadden gewild. Dat zij dit niet hebben gedaan, kunnen  de pelsdierenhouders volgens het hof niet aan de Staat tegenwerpen.

Onder andere met het oog op het voorgaande acht het hof de inbreuk op het eigendomsrecht volgens artikel 1 EP toelaatbaar en is volgens het hof niet gebleken dat een fair balance ontbreekt. Meer in het bijzonder is  niet komen vast te staan dat de pelsdierenhouders als gevolg van de Wet een individuele en excessieve last hebben te dragen. Er is volgens het hof voldoende rekening gehouden met de belangen van de pelsdierenhouders.

De NFE c.s. hebben direct aangegeven bij de Hoge Raad in cassatie te gaan tegen de uitspraak van het hof. De strijd is derhalve nog niet gestreden.