Uw zaken van alle kanten bekeken.
Fiscaal, juridisch én bedrijfseconomisch.
pelsdierenhouderij
Pelsdierenhouderij

Uitspraak Raad van State beperking pelsdierenhouderij in bestemmingsplan

De pelsdierenhouderijsector is al jaren volop onderwerp van politiek debat. In 2013 is de Wet verbod Pelsdierhouderij in werking getreden. Hoewel deze wet tijdens de behandeling van het bestemmingsplan dat onderwerp is in dit artikel buiten werking was gesteld door de rechter, kon deze wet kennelijk toch invloed hebben en beperkingen stellen in een gemeentelijke bestemmingsplan. Zo keurde de Raad van State onlangs een in een bestemmingsplan opgenomen omschakelverbod naar de bestemming pelsdierenhouderij goed, ondanks dat de Wet Verbod Pelsdierhouderij toen buiten werking was gesteld.

Historie van de Wet verbod Pelsdierhouderij
Het voorstel om de pelsdierenhouderij af te schaffen kent een voorgeschiedenis. Bij de totstandkoming van de Gezondheids- en welzijnswet voor Dieren in 1992 werd de bontproductie al eens tegen het licht gehouden. De Tweede Kamer aanvaardde op 1 juli 1999 een motie waarin het einde van de pelsdierenhouderij werd voorgesteld (Kamerstukken II 1998/99, 26 200 XIV, nr. 63). De principiële overwegingen in de politiek over de ethiek van het (bedrijfsmatig) houden en doden van pelsdieren hebben uiteindelijk geleid tot het wetsvoorstel van Tweede kamerleden Van Velzen en Waalkens, welk voorstel na enige aanpassingen inhoudelijk een verbod op de pelsdierenhouderij inhoudt met een overgangstermijn van tien jaar. De Eerste Kamer heeft op 18 december 2012 ingestemd met dit wetsvoorstel Wet verbod pelsdierhouderij (hierna ook te noemen: de Wet). De Wet verbod pelsdierhouderij (hierna ook: de Wet) is vervolgens op 15 januari 2013 in werking getreden. De Nederlandse Federatie van Edelpelsdierenhouders (hierna: de NFE) heeft daarop namens de pelsdierenhouders in Nederland de Nederlandse Staat gedagvaard. De rechtbank Den Haag heeft de Wet bij vonnissen van 21 mei en 18 juni 2014 buiten werking gesteld. De rechter oordeelde namelijk dat bij invoering van de Wet verbod pelsdierhouderij sprake is van regulering van eigendom in de zin van artikel 1 Eerste protocol van het EVRM en dat er geen sprake is van ‘fair balance’. Tegen het verbod op het houden van pelsdieren en de overgangsregeling tot 2024 staan, volgens de rechtbank, immers geen (adequate) vergoedingen. De buitenwerkingstelling van de Wet werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat het oprichten en uitbreiden van pelsdierenhouderijen gedurende deze buitenwerkingstelling in beginsel was toegestaan en dat instanties (zoals de NVWA) niet konden handhaven. De Staat is in beroep gegaan tegen de uitspraak van 21 mei 2014. Inmiddels heeft het gerechtshof Den Haag op 10 november 2015 uitspraak gedaan en het verbod op het houden en doden van nertsen toch weer rechtsgeldig verklaard. De NFE heeft aangegeven in cassatie te gaan tegen deze uitspraak.

Uitspraak Raad van State 26 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2718)
In deze zaak had een pelsdierenhouder al geruime tijd concrete plannen om op een perceel in de gemeente Deurne zijn bestaande pelsdierenhouderij uit te breiden. Op het moment dat het voorbereidingsbesluit voor het bestemmingsplan buitengebied werd vastgesteld, op 10 april 2012, was op het betreffende perceel nog geen pelsdierenhouderij gevestigd. De uitbreiding was op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan nog mogelijk. Bij besluit van 28 januari 2014 (dus nadat de Wet voor het eerst in werking is getreden) heeft de raad van de gemeente Deurne (hierna: de raad) vervolgens het bestemmingsplan “Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied” vastgesteld. In het bestemmingsplan heeft de raad, anders dan in het voorheen geldende plan, een specifieke aanduiding toegekend aan de agrarische bouwvlakken van de bestaande pelsdierenhouderijen. Ingevolge de planregels is een pelsdierenhouderij uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – pelsdierhouderij”; omschakeling naar een pelsdierenhouderij is niet meer toegestaan. Op (intensieve) veehouderijlocaties zonder deze aanduiding is de vestiging of omschakeling naar een pelsdierenhouderij dus niet meer mogelijk, zo ook niet meer op het perceel van de betreffende pelsdierenhouder.

Standpunt NFE
Hiertegen heeft de NFE (en anderen, hierna: de NFE) beroep ingesteld. De NFE voert onder andere aan dat de raad het bestemmingsplan op die wijze  ten onrechte heeft vastgesteld. Aan de Wet verbod pelsdierhouderij ligt namelijk geen ruimtelijk motief ten grondslag, nu de ruimtelijke uitstraling van een pelsdierenhouderij niet verschilt van andere intensieve veehouderijen. De verwijzing van de raad naar de Wet is ook ondeugdelijk nu die Wet niet is gebaseerd op ruimtelijke motieven en de Wet ook buiten werking is gesteld. Volgens de NFE heeft de raad ook ten onrechte geen rekening gehouden met de concrete plannen van betreffende pelsdierenhouder ter plaatse van het perceel.

De beoordeling van de Raad van State
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid deze planregeling voor pelsdierenhouderijen heeft kunnen opnemen. De Afdeling gaat geheel voorbij aan het gegeven dat aan het verbod geen ruimtelijk motief ten grondslag ligt, aangezien de Afdeling van mening is dat de raad met de ruimtelijke gevolgen van het verbod en de gevolgen voor de uitvoerbaarheid van het plan rekening heeft gehouden. De Afdeling is ook van oordeel dat de raad belangrijke betekenis mocht toekennen aan het verbod dat overigens tijdens deze procedure nog buiten werking was. De Afdeling neemt daarover in haar overwegingen mee hetgeen de rechtbank Den Haag in haar uitspraak van 21 mei 2014 had overwogen dat de Wet op zichzelf een legitiem doel heeft, maar de toets der kritiek niet doorstond vanwege de afwezigheid van een fair balance.

Voorts is de Afdeling ook van oordeel dat de raad geen rekening heeft hoeven houden met het initiatief ter plaatse; het perceel was weliswaar voorafgaand aan het voorbereidingsbesluit gekocht ten behoeve van een uitbreiding van een pelsdierenhouderij, maar ten tijde van de vaststelling van het plan was er geen pelsdierenhouderij gevestigd en was dit vanwege het toen in werking getreden wettelijke verbod ook niet toegestaan.

Gevolgen voor de praktijk
Zeker nu de Wet verbod pelsdierhouderij toch rechtsgeldig is geacht door het hof kan deze wet mogelijk tot beperking van nieuwvestiging (ongeacht of deze wel of niet een uitbreiding van een pelsdierenhouderij inhouden)van pelsdierenhouderijen in bestemmingsplannen leiden. De uitspraak van de Afdeling heeft mogelijk (ook) gevolgen voor bestaande pelsdierenhouderijen die in de toekomst (naar andere percelen) willen verplaatsen. Deze beperking is, met de onderbouwing die de raad hierbij gegeven heeft, naar het oordeel van de Afdeling niet onevenredig. De tijd zal het leren of de overwegingen van de Afdeling in onderhavige uitspraak gevolgen hebben voor eventuele andere soortgelijke bestemmingsplanprocedures. Voor de pelsdierenhouderijsector is deze uitspraak in combinatie met de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 10 november jl. in ieder geval zeer onwenselijk.