Uw zaken van alle kanten bekeken.
Fiscaal, juridisch én bedrijfseconomisch.
Actueel

Datum: 15-10-2015

Ongerealiseerde zelfstandigenaftrek – IB

Zelfstandigenaftrek uit voorgaande jaren kan ook niet meer worden benut als sprake is van een overleden belastingplichtige die in jaar van overlijden niet aan urencriterium voldoet.

Artikel 3.76, zevende lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek in de volgende negen kalenderjaren wordt verrekend door in die jaren een verhoging van de zelfstandigenaftrek in aanmerking te nemen. Doordat de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek is vormgegeven als een verhoging van de zelfstandigenaftrek in een volgend jaar, kan deze extra aftrek alleen worden gerealiseerd in een jaar waarin recht bestaat op de zelfstandigenaftrek en dus is voldaan aan het urencriterium. Aan het urencriterium wordt voldaan indien een ondernemer in een kalenderjaar ten minste 1225 uren aan zijn onderneming besteedt (artikel 3.6 van de Wet IB 2001).

Als een belastingplichtige dus in een jaar niet voldoet aan het urencriterium heeft deze belastingplichtige geen recht op zelfstandigenaftrek en daarmee ook niet op een (extra) zelfstandigenaftrek die in een voorgaand jaar niet kon worden benut.

Uit een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 september 2015 (14/4007, ECLI:NL:RBZWB:2015:5924) blijkt dat het niet in strijd is met doel en strekking van de wet of met het gelijkheidsbeginsel  om deze verhoging te onthouden aan een ondernemer die die aan het begin van een kalenderjaar is overleden en die mogelijk om deze reden niet aan het urencriterium heeft voldaan en dus in het jaar van overlijden geen aanspraak kan maken op zelfstandigenaftrek.

De Rechtbank oordeelt dat een ondernemer die aan het begin van het belastingjaar overlijdt niet gelijk gesteld kan worden met iemand die het hele jaar in zijn onderneming heeft kunnen werken. Een overleden ondernemer dient te worden vergeleken met een ondernemer die gedurende het jaar zijn onderneming om andere redenen staakt. De rechtbank oordeelt dat zelfs wanneer wel sprake zou zijn van gelijke gevallen, de wetgever volgens de rechtbank zijn ruime beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 september 2015, nr. 14/4007

 

< Terug naar overzicht