Uw zaken van alle kanten bekeken.
Fiscaal, juridisch én bedrijfseconomisch.
columns
Columns

Toeristenbelasting en huisvesting van personeel

Toeristenbelasting en huisvesting van personeel

Bij de huisvesting van veelal arbeidsmigranten worden ook ondernemers in de agrarische sector regelmatig geconfronteerd met een gemeentelijke heffing die geheven wordt onder de wat misleidende naam “toeristenbelasting“. Er is in de afgelopen jaren nogal wat rechtspraak verschenen over deze heffing en een groot deel daarvan heeft betrekking op ondernemers die werkzaam zijn in de agrarische sector.

Algemeen wettelijk kader

Gemeenten kunnen overgaan tot heffing van toeristenbelasting. De gemeente heeft deze mogelijkheid op grond van artikel 224 van de Gemeentewet:

1.    Ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, kan een toeristenbelasting worden geheven.
2.    Voor zover de belasting wordt geheven van degene die gelegenheid tot verblijf biedt, is deze bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.

Uit de tekst van artikel 224 van de Gemeentewet blijkt dat er twee heffingssubjecten kunnen zijn, te weten de persoon die verblijft in de zin van lid 1 of degene die gelegenheid tot verblijf biedt, waarbij degene die verblijf biedt, de heffing kan verhalen op degene die verblijft (lid 2).

De vaststelling van de voorwaarden en de nadere uitwerking van deze heffing is overgelaten aan de gemeenten. De gemeenteraad besluit tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening (artikel 216 Gemeentewet).

Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen, de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing, het tijdstip van beëindiging van de heffing en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is. (artikel 217 Gemeentewet)

De gemeente heeft bij de bepaling van de inhoud van de verordening een grote mate van vrijheid. Slechts bij strijd met artikel 224 Gemeentewet of bij onredelijke en /of willekeurige belastingheffing die de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad, kan de belastingrechter ingrijpen.(Gerechtshof Arnhem 2 maart 2010, nr. 08/00288 FutD 2010-0723).

Rechtspraak
Zoals in de inleiding is aangegeven, is er sprake van een wat misleidende titel. Volgens het woordenboek toerisme betekent ‘reizen voor je plezier’ Op het eerste gezicht zal men bij de huisvesting van arbeidsmigranten dan ook niet direct denken aan een toeristenbelasting. Een arbeidsmigrant kan toch moeilijk beschouwd worden als een toerist.

Het is dan ook niet vreemd dat in de rechtspraak de vraag gesteld is of de huisvesting van arbeidsmigranten wel getroffen kan worden door de toeristenbelasting, ondanks het feit dat de omschrijving van het belastbare feit in de verordeningen veelal ruim is omschreven.

De Hoge Raad heeft vastgesteld dat de wetgever blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van (een voorloper van) artikel 224 van de Gemeentewet (tekst 1999) welbewust aan de gemeenten de mogelijkheid heeft geboden onder de naam toeristenbelasting verblijfsbelastingen van uiteenlopende aard te heffen, waaraan alle niet-ingezetenen die enigszins duurzaam in de gemeente verblijven, kunnen worden onderworpen, zonder dat is vereist dat het verblijf in die gemeente voor toeristische doeleinden plaatsvindt (Hoge Raad 22 april 1998, nr. 33.138, BNB 1998/213).  

Een andere vraag is of de opbrengst van de toeristenbelasting door de gemeenten benut moet worden voor het faciliteren voor bepaalde doeleinden of dat deze mogen opgaan in de algemene middelen. Een arbeidsmigrant zal in het algemeen weinig of geen gebruik maken van de gemeentelijke toeristische voorzieningen.

In de Memorie van toelichting bij de wet van 24 december 1970 wordt met betrekking tot de toeristenbelasting opgemerkt:

“De belasting moet worden gezien als een tegemoetkoming in de kosten van de huishouding der gemeente voor zover deze voortvloeien uit voorzieningen welke (mede) in het belang van het toerisme worden getroffen” (Stb. 608).

Ten aanzien van deze vraag is door de Hoge Raad vastgesteld dat het niet noodzakelijk is dat de opbrengst wordt gebruikt voor toeristische doeleinden, zodat er bij de heffing sprake is van een heffing waarvan de opbrengst vloeit naar de algemene middelen van een gemeente. (Hoge Raad 7 juni 2002, nr. 36316). Zie ook de conclusie van de Advocaat Generaal bij het arrest en onder andere ook de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 20 september 2013 (12-00660 en 12-00661, V-N 2014/17.22). De toeristenbelasting is dus noch een bestemmingsheffing noch een profijtbelasting.

In een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 22 augustus 2013 (12-00076, FutD 2013‑2325) wordt dit standpunt herhaald. Uit de betreffende verordening was niet af te leiden dat de heffing van toeristenbelasting beperkt zou zijn tot overnachtingen met een recreatief karakter. Daarnaast werden de andere aangevoerde beroepsgronden ook afgewezen.

Het standpunt van een belanghebbende die stelde dat huurders niet aan te merken waren als toeristen maar als “slaapforensen” (werknemers een locatie slechts gebruiken om te overnachten) en dat deze niet via de toeristenbelasting konden worden belast, werd door de rechtbank verworpen. De in de gemeenteverordening opgenomen definitie was zo geformuleerd dat ook deze huurders onder het bereik waren gebracht van de toeristenbelasting. De rechtbank besliste dat de gemeente bij het vaststellen van de verordening daarmee binnen de door de formele wetgever getrokken grenzen was gebleven. (Rechtbank Breda 14 oktober 2010, zaaknummer 11/2129, FutD 2011-2849).

In een uitspraak van het gerechtshof Den Bosch van 20 augustus 2010 (nr. 09/00211, NTFR 2010, 2936) was sprake van een uitzendbureau voor Poolse uitzendkrachten die een kazerne bezat waarin onderdak werd geboden aan de buitenlandse uitzendkrachten, die zelf voor linnengoed en eten zorgden. De uitzendkrachten waren voornamelijk werkzaam in de tuinbouw. In de gemeentelijke verordening waar de aanslag op was gebaseerd, was  in artikel 2 een beschrijving gegeven van de accommodaties als hotels, pensions, vakantieonderkomens, mobiele kampeeronderkomens, niet beroepsmatig verhuurde ruimten en vaste standplaatsen. Naar het oordeel van het Hof was de betreffende accommodatie noch aan te merken als een hotel noch als een pension en is in de verordening sprake van duidelijke bewoordingen. Op grond daarvan werd de aanslag vernietigd.  Ook de Advocaat Generaal sluit zich aan bij deze uitspraak (9 december 2011, nr. 10/04260 BNB 2012/57).

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Het gerechtshof Arnhem heeft in genoemde zaak ook het beroep van belastingplichtige op strijd met het gelijkheidsbeginsel afgewezen. Het feit dat er ook gemeenten zijn die geen toeristenbelasting heffen, is daartoe niet voldoende. Het staat de gemeenten vrij om al dan niet en tegen bepaalde tarieven toeristenbelasting te heffen. (Gerechtshof Arnhem 2 maart 2010, nr. 08/00288, FutD 2010-0723).

Belastingplichtige
In een uitspraak van het gerechtshof Den Bosch (van 11 november 2010, nr. 08/00569, FutD 2011-0533) werd het aannemelijk geacht dat een belanghebbende belastingplichtige was voor de heffing van toeristenbelasting. Doordat belanghebbende geen aangifte had gedaan, hoewel hij wel een aangifteformulier had ontvangen, werd de bewijslast omgekeerd. Belanghebbende slaagde niet in het bewijs om aannemelijk te maken dat hij geen belastingplichtige was. Ook de stelling dat er geen vergoeding werd betaald door de huurders mocht belanghebbende niet baten omdat de kosten van de huisvesting waren verdisconteerd in de prijs die belanghebbende voor zijn producten ontving.

Ook het beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder zorgvuldigheid en rechtzekerheidsbeginsel, werd verworpen. De gemeente had genoeg inspanningen verricht om de verordening toeristenbelasting onder de aandacht van het belanghebbende en publiek in het algemeen te brengen.

De aan de aanslag ten grondslag gelegen berekening werd door het Gerechtshof nog aangepast en het hoger beroep werd op grond daarvan gegrond verklaard.

In de uitspraak van de rechtbank Assen van 6 maart 2012 (AWB11/1249, FutD 2012/181) werd een eigenaar van een tweetal recreatiewoningen aangemerkt als belastingplichtige voor de toeristenbelasting ondanks het feit dat een ander eigenaar was van het recreatieterrein en zorg droeg voor de verhuur aan toeristen.

Op deze uitspraak is naar mijn mening nog wel wat aan te merken. De feiten zijn echter zeer summier beschreven, waardoor het niet duidelijk is of dit enkel bemiddeling betrof of dat de andere partij de woningen verhuurde voor eigen rekening en risico. In het laatste geval zijn er ook argumenten om de andere partij aan te merken als belastingplichtige.

In de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 januari 2013 (FutD 2013-1624) doet zich deze situatie voor. In deze zaak huurt een uitzendbureau een locatie en stelt zij de woonruimte ter beschikking aan de niet in de GBA ingeschreven personen. De rechtbank oordeelt dat in dat geval het uitzendbureau de belastingplichtige is en niet de eigenaar. Zie Gerechtshof Amsterdam van 22 mei 2014 (13/00112) voor een gelijksoortige situatie.

Heffingsgrondslag
Naar haar aard is de toeristenbelasting een verblijfsbelasting, waarbij de heffing afhankelijk moet zijn van feiten en omstandigheden die verband houden met de duur van het verblijf en het aantal personenen dat verblijf houdt, waarbij het de gemeente is toegestaan om een forfaitaire regeling vast te stellen (Hoge Raad, 17 juni 1981, 19 919 BNB 1981/243).

Naast de heffing op basis van het daadwerkelijke verblijf zijn er in de meeste verordeningen ook forfaitaire berekeningsmethoden opgenomen. Het gerechtshof Arnhem toetst deze berekeningsmethode aan het criterium dat de in een verordening opgenomen methode het werkelijke aantal overnachtingen moet trachten te benaderen. (Gerechtshof Arnhem 2 maart 2010, nr. 08/00288, FutD 2010-0723).

In de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 november 2007 (AWB 06/1441) kwam de verhouding tussen de forfaitaire en individuele heffingsmethodiek aan de orde. Uit de verordening bleek dat de forfaitaire regeling de hoofdregel was en de individuele regeling de uitzondering was die werd toegepast op verzoek. Nu geen verzoek was ingediend, diende de heffing plaats te vinden op basis van de forfaitaire methode.

In de uitspraak van Rechtbank Overijssel van 8 mei 2013 (Awb 13/190, FutD 2013-1396) werd in de bezwaarfase de aanslag van oorspronkelijk € 31.774,-- verminderd naar € 7.336,--. In de betreffende verordening was een onderscheid gemaakt naar een individuele heffing op basis van het aantal overnachtingen en een forfaitaire berekeningsmethode. De gemeente stelde in bezwaar vast dat de forfaitaire methode gehanteerd had moeten worden.  Opvallend is dat deze twee berekeningsmethoden wel erg verschillend uitpakken. Het geschil in deze procedure spitste zich toe op de verhouding tussen forensenbelasting en toeristenbelasting. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond omdat uit de feiten was af te leiden dat in plaats van toeristenbelasting, forensenbelasting zou zijn verschuldigd. De zaak werd terugverwezen naar de gemeente om nader onderzoek te doen.

Formele gronden
In een aantal zaken wordt ook de al dan niet verbindendheid van verordeningen aan de orde gesteld. Zie onder andere de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 22 mei 2014 (13/00112). In deze uitspraak wordt ingegaan op de vraag of de verordening op de juiste voorgeschreven wijze bekend is gemaakt met in achtneming van de in de wet opgenomen termijnen.

Het niet reageren op een uitnodiging tot het doen van aangifte heeft in deze zaak geleid tot omkering van de bewijslast. Het gevolg is dat het bedrag van de aanslag in stand blijft tenzij de belastingplichtige kan aantonen dat de aanslag onjuist is. Eiseres is daarin niet geslaagd.

Belang voor de praktijk
Ondernemers die in de agrarische sector werkzaam zijn en die in hun onderneming werkzame personen, die niet ingeschreven zijn in de gemeentelijke basisadministratie, overnachtings-plaatsen bieden, moeten rekening houden met de gemeentelijke verordening toeristenbelasting. De bedragen die met deze gemeentelijke heffing gemoeid zijn, kunnen aanzienlijk zijn (tarieven van rond € 1,- per persoon per nacht zijn gebruikelijk). De heffing kan onder omstandigheden verhaald worden op de huurder, maar dit zal in de praktijk vaak op praktische bezwaren stuiten. De conclusie is dat deze heffing in dat geval leidt tot een extra kostenpost waar rekening mee gehouden moet worden.

In iedere situatie zal men te rade moeten gaan bij de betreffende gemeente en de gemeentelijke verordening moeten raadplegen. Gemeenten hebben in de loop van de tijd naar aanleiding van de verschenen rechtspraak de verordeningen vaak aangepast zodat er verschillen kunnen optreden.

Aandachtspunten bij de aanslagen toeristenbelasting zijn op grond van de rechtspraak:
-         totstandkoming en bekendmaking van verordening;
-         definitie van belastbaar feit;
-         definitie van onderkomens;
-         definitie van belastingplichtige;
-         forfaitaire of individuele methode;
-         juiste berekeningsmethode;
-         algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
-         omkering bewijslast bij niet reageren.

mr. A. Schouten RB is werkzaam als belastingadviseur bij Remie Fiscaal Juridisch Adviesbureau LLP.
Dit artikel is op 5 januari 2015 geplaatst in het Land- en Tuinbouwbulletin van Wolters Kluwer;

http://open.navigator.kluwer.nl/staats-en-bestuursrecht/land-en-tuinbouwbulletin-toeristenbelasting-en-huisvesting-van-personeel/#.VMj2Z_50zAU